Spreek je uit, deel en inspireer!
Print blogartikel
De periode waarin we het persoonsgebonden budget (pgb) voor onze zoon hadden toegewezen gekregen is bijna afgelopen. Omdat de hulpvraag er nog steeds is, hebben we een aanvraag gedaan voor een verlenging.
En daar zijn we op tijd bij, want het duurt nog vier maanden voordat het afloopt en onze aanvraag is al bij de gemeente binnen. De jeugdconsulente is er maar wat blij mee: "U bent tijdig met de aanvraag", schrijft ze. "Dank daarvoor."
De consulente merkt zelfs nog op dat het huidige pgb een maand later afloopt dan dat ik opschreef, waardoor ik de betrokkenheid bij onze zoon direct voel groeien.
Maar het duurt niet lang voordat mijn ogen een kort moment van het scherm deinzen. "Zodra er een consulent is gekoppeld aan de casus zal er contact met u worden opgenomen."
Casus? Sinds wanneer is mijn zoon een casus? Op het moment dat er naar onze aanvraag gekeken gaat worden blijkbaar. Maar een casus voelt voor mij als een nummer. Mijn zoon wordt met dit woord een van de velen. Hij is een dossier dat geopend en weer afgehandeld moet worden. De afstand die vaak al zo groot is tussen ons gezinsleven en de gemeente is met het gebruik van dit woord alleen maar groter geworden.
Een casus, een nummer. We sluiten hiermee aan in de wachtrij met een geprint nummertje in de hand. “Er zijn nog honderd wachtenden voor u”, hoor ik hiermee zachtjes doorklinken.
Het is drie weken later wanneer ik een telefoontje ontvang op mijn werk. Marcella* heeft een conflict met haar zorgverlener en heeft hier ondersteuning bij nodig. Ik hoor haar verhaal aan en bespreek samen met haar de mogelijkheden die er zijn om haar te ondersteunen. Omdat haar hulpvraag niet onder mijn expertise valt wil ik haar begeleiden naar een collega binnen een andere organisatie. Maar daar moet wel eerst een aanmeldformulier voor ingevuld worden.
Omdat Marcella het formulier niet begrijpt en hier stress over ervaart, stel ik voor dat ik het formulier zo ver mogelijk voor haar invul en dat we het daarna samen doorlezen, aanvullen en opsturen. Dat vindt Marcella goed.
Terwijl ik het formulier invul vliegen mijn handen over het toetsenbord heen. Persoonlijke gegevens, beschrijving van de hulpvraag, hulpverleningsverleden, huidige woonsituatie en ga zo maar door. Alles vul ik in.
Als het formulier zo ver mogelijk is ingevuld, lees ik het nogmaals door. En op het moment dat ik de beschrijving van de hulpvraag zie valt het woord dat ik veelvuldig heb gebruikt bij mijn binnen: cliënt. Overal waar ik iets over Marcella schrijf, schrijf ik niet naar voornaam maar "cliënt". Wat best raar is, omdat ik het formulier vanuit Marcella zelf invul, niet vanuit mij.
Ik deins even terug in mijn stoel. Hoe is het mogelijk? De jeugdconsulent die mijn zoon een casus noemt, de moeder in mij die daarmee een afstand voelt en vervolgens betitel ik Marcella zelf tot cliënt in haar eigen aanmeldformulier.
Is mijn zoon geen casus dan? Is Marcella geen cliënt op het moment dat zij hulpverlening ontvangt? Jazeker wel, maar het zijn harde woorden. Woorden die een afstand creëren tussen de persoon zelf en het vakjargon dat gebruikt wordt.
Het vakjargon dat niet alleen de jeugdconsulent gebruikt, maar ikzelf blijkbaar ook.
Met een snelheid die ik nog niet eerder had, vliegen mijn handen weer over het toetsenbord heen. Overal waar “cliënt” staat, schrijf ik nu “Marcella” op. Om er echt zeker van te zijn dat ik er geen gemist heb, lees ik het formulier nog drie keer door.
Ik bel vervolgens Marcella weer op en ik lees aan haar voor wat ik heb ingevuld. De antwoorden blijken begrijpelijk voor haar te zijn. Diezelfde middag nog stuur ik het formulier voor haar op.
Zorgen voor mijn zoon of zorgen voor iemand anders. Sinds ik moeder ben van een zoon met een zorgvraag heb ervaar ik het verschil daadwerkelijk. En ik kan er niet anders dan dankbaar voor zijn dat beiden elkaar versterken, verhelderen en laten zien wat ik anders kan doen.
Harde woorden zijn zo gezegd. Maar het is de zachtheid waarmee ik anderen tegemoet mag treden.
Zijn er, na het lezen van mijn blog, bij jou ook harde woorden die je te binnen schieten?
* Marcella is niet de daadwerkelijke naam van desbetreffende persoon.
Laura Rooijackers, 34 jaar, schrijft over het leven in haar gezin. Ze is getrouwd en heeft een zoon van 8 jaar met autisme en PTSS en een dochter van 4 jaar oud. Vanuit haar zorgachtergrond werkt ze met diverse doelgroepen. Maar zorgen voor een cliënt of voor je zoon, dat is echt andere koek. Dit is haar wel duidelijk: het gezinsleven is mooi, intensief, nooit saai, maar geeft een schat aan herinneringen en ervaringen die gedeeld mogen worden. En daar schrijft ze over op Deelmee!